milstil: IV. De duivel heeft altijd schik in lieve,...

My other (single topic) tumblrs: picturesofgianniagnelli | ralphlipschitz | italianindustrialist

    11 Dec

  1. IV.

    De duivel heeft altijd schik in lieve, jonge, natuurlijke vrouwtjes, die veel van hun wettigen man houden. Als ze een jaar of wat getrouwd zijn krijgen ze een vreemd heimwee naar een land, dat ze kennen. Maar ze zijn er toch nooit geweest. Hoe kunnen ze verlangen naar iets dat ze niet kennen? Hoe kun je iets kennen dat je toch niet kent? Vreemd, wat missen ze? En zingende zetten ze in den voorjaarsmorgen de balkondeuren open en ineens zijn ze weer vaag droevig. Waarom toch? C’est  , c’est  qu’il faut être. La? Waar? „’k Ben mal”. En ze drukken hun kindje tegen zich aan en zoenen ’t erg.

    Coba zit op ’t terras van de „Beursbengel”, op ’t Damrak, aan zoo’n tafeltje met zwaar rond marmeren blad, met een koperen band om den kant. Haar kindje zit tegenover haar, de bloote beentjes van het kindje met witte halve kousjes bengelen voor haar stoeltje. Het krijgt een taartje met een glas melk. ’t Eet met haar kleine vingertjes, haar lekkere oogen zijn zoo groot en kijken zoo overal heen. ’t Kindje is onder den indruk van zoo iets heerlijks en al die menschen, maar ’t is erg blij. Moedertje kijkt of ’t kleintje niet morst en helpt haar zachtjes, maar zegt niet veel.

    In den hoek zit de duivel en draait z’n snor op. Eens heb ik een vrouw hooren zeggen, een hoogstaande vrouw: „Zoo’n vent, wat verbeeldt zich die wel? Een man die denkt dat ik verliefd zal worden, omdat i zich zelf aan een brok haar trekt, bah.” Vertrouw die vrouw niet te veel. Nu ligt ze ’s nachts wakker en bijt in haar natte kussen.

    Coba trekt haar manteltje uit, legt ’t over haar knieën, ’t is te warm voor een blauw cheviotten mantelpakje. Een wit bloesje heeft ze aan, haar armen schijnen er door, zoo rose-bruin en ’t allerbovenste van haar rug en borst. Je ziet waar haar hemd eindigt en dat ’t met kanten strooken van haar schoudertjes hangt. Nu trekt ze haar bovenlip even naar binnen en maakt haar onderkaak langer en strijkt met de rechterhand haar haar glad, ze draait even met haar hoofd en ’t puntje van haar tong komt te zien en strijkt langs haar bovenlip en verdwijnt schielijk. De duivel draait aan z’n snor. Nu praat ze lief met haar kindje, ze lacht, al haar tanden laat ze zien; ze heeft een sterk gebit, alle tanden staan aangesloten en ze zijn schitterend wit, om haar zoo je hand voor te houden, dat ze er in bijten kan, aan den buitenkant tusschen pink en pols. Het is in ’t begin van Mei. Voor ’t eerst van ’t jaar heeft ze een bloese aan die driehoekig is uitgesneden en ook haar borst is wit, zoo erg wit, dat de duivel moet denken aan het licht uit den hemel. En de hoeken van haar sleutelbeenderen bij ’t kuiltje van haar hals staan zoo pittig. Met haar slanke vingers strijkt ze langs den rand van haar bloese. Nu veegt ze de handjes van haar kindje af en haar toetje, met haar zakdoekje, dat een opengewerkten rand heeft. En ze neemt ’t handje van ’t kind in haar twee handen en drukt ’t en geeft haar een zoentje op haar groote oogjes en ’t kindje vraagt: „Maatje, waarom doet u dat?” En ze kleurt en vraagt: „Wat, Bobi?” „Waarom zoent u me ineens?” „Maar kindje, maatje zoent je toch wel meer ineens? Wil Bobi nog een taartje? Maar dan moet je je niet zoo vuil maken, hoor. Zal mammi ’t zelf gaan uitzoeken voor kindje? Zoet blijven zitten hoor!” En maatje gaat naar binnen, haar heupen draaien heel even en haar blauw cheviotten rok gaat heen en weer. En dan komt ze terug met ’t taartje op een schaaltje en uit de deur lacht ze tegen haar kindje en ze gaat weer zitten. De duivel draait aan z’n snor. En dan in eens wordt ze bang. Als i haar eens aansprak? Wat moest ze doen? „Kom Bobi, maak voort, wacht, zal ik je helpen?” En op de punt van ’t vorkje steekt ze haar ’t halve taartje in ’t mondje, ’t is of de dikke dame naast haar draait. ’t Kindje heeft ’t toetje vol slagroom. „Bah, wat een vies kindje.” „Mammi, dat doe je zelf.” Daar is Pa. Hij groet en neemt z’n hoed af voor den duivel en de duivel neemt z’n hoed af voor Pa. Maatje kleurt weer, nu tot ’t kuiltje van haar hals. Maar ’t dichtertje ziet dat niet, hij is te lang getrouwd.

    Ze staat op en helpt ’t kindje van haar stoel. „Wil je meteen weg?” „Ik moet nog wol koopen om mijn manteltje af te breien. Ik kan nergens de kleur krijgen. ’k Ben in wel vier winkels geweest en toen dacht ik, ik zal maar eerst hier naar toe gaan, want ’t werd zoo laat.” De oogen van ’t kindje worden heel groot en kijken naar boven naar maatje. „Nou vooruit dan maar, heb je betaald? aanneme!” Dichtertje dopt, de duivel dopt, maatje knikt stijf. Bobi wuift met haar handje en zegt met een hoog stemmetje: „Dag meneer.” De duivel knikt en lacht en knijpt een oog dicht. „Maatje, die meneer heeft al dien tijd naar u gekeken.”

    Gelukkig, ’t dichtertje hoort niets, zijn gedicht zonder eind is weer in een stadium datti er stapel zot van wordt. Hij ziet op dat terras al die vrouwen zitten en er gaan er voorbij op straat. „O God,” denkt i, „als er nu eens een wonder gebeurde, als nu eens in eens van al die vrouwen al de kleeren afvielen?” Een dichtertje dat den waanzin nabij is denkt rare dingen. U en ik lezer denken nooit zoo iets. En mijn lezeressen….. heilige onschuld, ik moet er niet aan denken.

    Over snorren, satan, zwarte full brogue schoenen (goed kijken) en dichtertjes. Pictures of Miles Fitzalan Howard - in a proper true three button (no guido) suit - by Allan Warren, more posts of English aristo-cats as portraited by AW in the good old go-go eighties here

    allan warren nescio dichtertje miles fitzalan howard duke of norfolk 1986 polka dots black shoes jetted pockets english style milstil